Zoek
Sluit dit zoekvak.

Zindelijkheid in de basis

Auteurs: Henriet Snippe en Rianne Huberts
Organisatie: GGD Drenthe, jeugdgezondheidszorg

Je kind is zindelijk als het zelf kan aangeven wanneer het moet plassen of poepen. Daarnaast moet je kind de plas en poep even op kunnen houden als er geen wc in de buurt is. Het is een vaardigheid, die je kind moet leren, net als lopen, praten, enzovoort. Tot die tijd is het belangrijk om in de gaten te houden wanneer je kunt beginnen met oefenen om op de pot of naar de wc te gaan.

Waar zindelijkheid begint

In het eerste levensjaar plassen en poepen kinderen als een reflex. Er komt eten en/of drinken in hun maag en de darmen beginnen te werken. Zodra de druk in de endeldarm toeneemt, gaat het kind poepen. Het is zich hier niet van bewust. Zodra er wat spanning op de blaas komt gaat het kind plassen, zonder dat het zich hiervan bewust is.

In de loop van het 2e levensjaar, zal een kind aandrang gaan voelen en pas later ook bewust kunnen gaan ‘kiezen’ om wel of niet te gaan plassen. Dit begint vaak met voelen dat het geplast of gepoept heeft. Daarna komt de fase dat ze in de gaten hebben dat ze aan het plassen of poepen zijn. En tot slot zullen ze in de gaten krijgen dat ze moeten plassen of poepen. 

Je kind is toe aan zindelijkheidstraining als het:

1. Kan aangeven dat hij of zij moet plassen of poepen
2. De broek aan/uit kan doen om op het potje of het toilet te gaan
3. Het kind de wil heeft om de nieuwe vaardigheid van leren plassen of poepen op het potje onder de knie te krijgen en hier trots op is

De meeste kinderen tonen hun eerste interesse voor het plassen tussen de 1,5 en 2 jaar. Dat is dan ook de leeftijd om de training te starten. Het zindelijk worden voor poepen start vaak ná het zindelijk worden voor plassen.

Duur zindelijkheidstraining

De duur van een normale zindelijkheidstraining verschilt van kind tot kind. Hier moet ten minste drie maanden voor uitgetrokken worden. Wacht je te lang met de zindelijkheidstraining dan bestaat de kans dat het juist langer duurt omdat een kind gewend is om het signaal van een volle blaas of darm te negeren, gewend is aan rondlopen in een natte of vieze luier en meer je autoriteit gaat testen in de peuterpuberteit.

Positiviteit

Tot slot hoort bij de basisvoorwaarden voor zindelijk worden een positieve sfeer waarin dit gebeurt. Net als bij andere vaardigheden die een kind moet leren, gebeurt ook dit met vallen en opstaan. Een positieve houding zorgt voor een gevoel van veiligheid bij het kind, waardoor het tot leren komt. Houdt de stappen klein, vier de successen en wees mild bij ongelukjes.

Casus:

Teun is 3 jaar oud. Hij komt met zijn moeder op het consultatiebureau bij de jeugdverpleegkundige. Moeder vertelt dat ze nu een half jaar bezig zijn met de zindelijkheidstraining van Teun. Ze zijn gestart toen moeder merkte dat Teun interesse begon te krijgen in poep en plas en hoe dat allemaal werkt op de WC. Moeder vertelt dat ze sindsdien allerlei dingen geprobeerd heeft om Teun zindelijk te krijgen. Moeder benoemd bijvoorbeeld het beloningssysteem, vaste tijden op het potje/toilet, voldoende vocht drinken en vezelrijk eten en een positieve benadering. “Toch is het niet gelukt” vertelt moeder. “Soms plast hij wel op het toilet, maar dan even later komt de rest alsnog in de onderbroek terecht”.  “Ik heb alles geprobeerd” geeft ze aan. De jeugdverpleegkundige kijkt samen met moeder naar alle onderdelen die belangrijk zijn bij het zindelijk worden. De jeugdverpleegkundige complimenteert moeder omdat ze op het juiste moment gestart is. Ook kan een beloningssysteem en vaste toilet momenten helpen. Positieve benadering is ook ontzettend belangrijk bij het zindelijk worden. Kinderen en ouders moeten ontspannen zijn. Ontspannen op het toilet zitten speelt hierbij een grote rol. De jeugdverpleegkundige vraagt moeder hoe Teun op het toilet zit en kom erachter dan Teun geen toiletbril verkleiner en voetenbakje heeft. Een goede toilethouding is belangrijk bij het ontspannen. Zodra je niet stevig zit en je bungelt met je benen span je automatisch de ‘poep en plas’ spieren aan (bekkenbodemspieren). De jeugdverpleegkundige adviseert moeder om een toiletbril verkleiner en voetenbankje te gaan gebruiken. Samen met moeder plant de jeugdverpleegkundige een vervolgafspraak in om te volgen hoe het gaat.

Conclusie

Als je met de ‘zindelijkheidstraining’ begint, zorg dan dat je hier genoeg tijd en aandacht voor neemt. Blijf tijdens het oefenen altijd positief. Geef veel complimenten als je kind zelf naar de wc gaat of op het potje poept of plast. Forceer en zindelijk worden niet. Als het oefenen niet lukt, is dit helemaal niet erg. Wacht dan nog even en probeer het later opnieuw. Elk kind is namelijk anders!